De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam
inzake: A, woonachtig te V., klager, tegen B, Accountant-Administratieconsulent kantoorhoudende te W., betrokkene.
Loop van het geding
De Raad heeft kennisgenomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende, stukken: (a) de klacht van 31 mei 1995, met 4 producties; (b) het verweerschrift van 6 juli 1995, met 1 productie. De Raad heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 15 december 1995. Ter zitting zijn verschenen klager, zijn gemachtigde drs. X, en betrokkene in persoon.
Vaststaande feiten
Klager was tot 1994 cliënt van betrokkene. Klager exploiteerde tot 1986 een slagerij. Vanaf 1986 tot 1990 verhuurde klager zijn voormalige onderneming. Tot en met 1990 werd hij door de Belastingdienst als ondernemer aangemerkt. Vanaf 1990 werd het ondernemerschap van klager niet langer door de Belastingdienst geaccepteerd. Klager diende zijn onderneming te staken en over de daardoor ontstane stakingswinst belasting te betalen. Dit leidde tot extra werkzaamheden die betrokkene in 1992 heeft verricht en gedeclareerd. Klager heeft de declaraties die betrekking hadden op die werkzaamheden betaald. Klager had in 1992 aanvankelijk mondeling over de hoogte van deze declaratie geklaagd en enkele vragen gesteld, welke door een medewerker van betrokkene zijn beantwoord. In totaal bedroegen de declaraties in 1992 f. 6605,25.
Op 1 april 1994 heeft betrokkene een declaratie van f. 1075,13 verstuurd. Deze declaratie had betrekking op de aangiften inkomstenbelasting/premieheffing 1992 en 1993 en overige fiscale werkzaamheden. Klager heeft geweigerd deze declaratie te betalen, omdat hij van mening was dat hij over 1992 reeds voldoende had voldaan. Bij vonnis van 11 april 1995 heeft de president van de arrondissementsrechtbank te U. klager gelast het bedrag van de declaratie te voldoen.
De klacht
De klachten luiden samengevat weergegeven als volgt:
<typolist type="1">
Betrokkene heeft de declaraties met betrekking tot 1992, ook na verzoeken om specificatie van klager, onvoldoende gespecificeerd. Door deze handelwijze heeft betrokkene klager onnodig in een civiele procedure betrokken.
Betrokkene heeft klager niet gewezen op de klachtprocedure bij de Raad van Tucht.
</typolist>
Het verweer van betrokkene/beoordeling van de klacht
Met betrekking tot de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Raad als volgt. De stelling dat een accountant is gehouden desgevraagd informatie te verschaffen over de werkzaamheden die ten grondslag liggen aan zijn declaraties, is op zichzelf beschouwd juist. In het onderhavige geval mocht betrokkene evenwel, aangezien klager na een mondeling verzoek in 1992 om inlichtingen met betrekking tot de declaraties de lopende declaraties over 1992 zonder nadere klachten had voldaan, in 1992 ervan uitgaan dat de gerezen vragen naar tevredenheid waren beantwoord en dat hij voldoende inlichtingen dienaangaande had verstrekt. Op grond van de stukken van het geding en hetgeen ter zitting is gesteld is aannemelijk geworden dat betrokkene zijn declaraties op aanvaardbare wijze heeft gespecificeerd en ook mondeling enige nadere toelichting heeft gegeven. Voorts is niet aannemelijk geworden dat betrokkene niet de toelichting heeft gegeven waar klager om had gevraagd. De door klager overgelegde brieven van 3 januari 1992 en 5 mei 1995 van betrokkene aan klager bevatten aanvaardbare specificaties van de verrichtte werkzaamheden. Niet gesteld noch gebleken is dat klager aan de hand van deze specificaties om een meer gedetailleerde specificatie heeft gevraagd. Klager heeft daarentegen zijn klachten over de declaraties met betrekking tot 1992 eerst in 1994 aan betrokkene kenbaar gemaakt door de declaratie van 1 april 1994, die geen betrekking had op de in 1992 verrichte werkzaamheden, niet te betalen. Klager heeft aldus zelf de mogelijkheid om meer informatie over deze werkzaamheden te verkrijgen door zijn opstelling bemoeilijkt. De klacht faalt derhalve op dit punt.
De klacht dat betrokkene klager door zijn handelwijze onnodig in een civiele procedure heeft betrokken, faalt eveneens. Deze procedure is veroorzaakt doordat klager de declaratie van 1 april 1994 waarvan hij noch de hoogte noch de daarvoor verrichtte werkzaamheden betwist, niet heeft betaald. Betrokkene mocht betaling van zijn werkzaamheden verlangen, hem kan derhalve tuchtrechtelijk geen verwijt worden gemaakt met betrekking tot het aanspannen van deze procedure.
Betrokkene maakt op zijn briefpapier melding van zijn lidmaatschap van de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten. Naar het oordeel van de Raad was betrokkene niet gehouden klager daarnaast uitdrukkelijk te wijzen op de onderhavige tuchtprocedure. Gelet op het vorenoverwogene falen de klachten.
Beslissing
De Raad verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist op 11 maart 1996 door mr. J.H.M. Willems, voorzitter en L.R. Vliet en drs. E. van Wilsem leden-accountants in aanwezigheid van mr. J.M. van der Vegt, adjunct-secretaris.



