De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage
heeft de volgende uitspraak gedaan naar aanleiding van de klacht van: A, wonende te C., klager; contra: B, Accountant-Administratieconsulent te C., betrokkene;
Loop van het geding
De Raad van Tucht heeft kennis genomen van de in deze zaak gewisselde stukken, waaronder de brief met bijlage van klager van 6 december 1993, waarmee de onderhavige klacht is ingediend. Klager richtte zijn klacht aan de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten, die deze vervolgens op 14 december 1993 aan de secretaris van de Raad van Tucht doorzond. Bij schrijven van 14 februari 1994 heeft betrokkene zijn klacht aangevuld. Betrokkene geeft op 21 maart 1994 schriftelijk op de klacht gereageerd, onder inzending van een bijlage. Bij schrijven van 20 april 1994 heeft klager zijn reactie op voormelde brief ingezonden. Op verzoek van de secretaris van de Raad heeft klager vervolgens op 24 juni 1994 een tweetal stukken aan de Raad toegezonden, waaronder een conclusie van antwoord in een bij het Kantongerecht te R. door betrokkene tegen klager ingestelde procedure. Betrokkene heeft bij de brief van 1 juli 1994 een reactie op de hiervoor bedoelde brieven en de bijlagen ingezonden. Vervolgens heeft klager bij schrijven van 14 september 1994 aan de Raad toegezonden een conclusie van dupliek in de hiervoor bedoelde Kantongerechtsprocedure. Daartoe door de secretaris van de Raad in de gelegenheid gesteld, heeft betrokkene op 21 september 1994 schriftelijk op laatstbedoelde brief van klager met bijlagen gereageerd, onder toezending van een aantal bijlagen, waaronder een conclusie van repliek, tevens houdende vermeerdering van eis in meerbedoelde Kantongerechtsprocedure. Vervolgens heeft betrokkene bij brief van 26 oktober 1994 aan de Raad doen toekomen een kopie van het in de Kantongerechtsprocedure gewezen vonnis. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van Tucht van 20 februari 1995, waarbij klager en betrokkene aanwezig waren. Ter gelegenheid van deze zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.
Vaststaande feiten
<typolist type="1">
Betrokkene is als Accountant-Administratieconsulent werkzaam bij Accountantskantoor E te C. In die hoedanigheid heeft hij sedert 1975 werkzaamheden ten behoeve van het bedrijf klager een boomkwekerij verricht. De door betrokkene in dit kader opgemaakte jaarstukken werden steeds met klager besproken.
Tot en met 1987 kweekte klager de bomen op de volle grond; de oppervlakte van het bedrijf besloeg 300 Rijnlandse Roeden (hierna: RR). In 1988 heeft klager de oppervlakte met 100 RR uitgebreid en is hij omgeschakeld naar potcultuur, hetgeen grote investeringen vergde. In verband met slechte resultaten, heeft klager medio 1988 de helft van de boomkwekerij verkocht. Sedertdien bestaat het bedrijf van klager uit 200 RR, kweekt klager alleen nog op volle grond en heeft daarnaast een baan.
In verband met de uitbreiding van het bedrijf is de opstand in de balans per ultimo 1988 met (100 RR àƒ 70,-) ƒ 7.000,- opgewaardeerd. In 1989 na de verkoop van de helft van het bedrijf werd in de balans de waarde van de opstand met (200 RR à ƒ 70,-)
ƒ 14.000,- verminderd. Terzake van de (gedeeltelijke) staking van zijn bedrijf heeft klager over het belastingjaar 1989 de fiscale stakingsfaciliteiten genoten.
De boekhouding van klagers bedrijf werd bijgehouden door een familielid. De gegevens ten behoeve van de aangiften omzetbelasting werden door klager aan betrokkene verstrek. In het dossier van klager ten kantore van betrokkene zijn door een assistente handgeschreven aantekeningen gemaakt van de navolgende inhoud:
- 2e kwartaal 1989: geen gegevens ontvangen; nihil-aangifte g
edaan;
- 3e kwartaal 1989; gegevens ontvangen; op 27.10.1989 aangifte
gedaan;
- 4e kwartaal 1989: geen gegevens ontvangen;
- 1e kwartaal 1990: gegevens ontvangen; op 01.05.1990 aangifte
gedaan;
- 2e kwartaal 1990: geen gegevens ontvangen; op 12.07.1990
nihil-aangifte gedaan;
- 3e kwartaal 1990: geen gegevens ontvangen; op 24.10.1990
nihil-aangifte gedaan;
- 4e kwartaal 1990: geen gegevens ontvangen; op 21.01.1991
nihil-aangifte gedaan;
- 1e kwartaal 1991: geen gegevens ontvangen; op 19.04.1991
nihil-aangifte gedaan;
- 2e kwartaal 1991: geen gegevens ontvangen; op 03.07.1991
nihil-aangifte gedaan;
- 3e kwartaal 1991: geen gegevens ontvangen; op 03.10.1991
nihil-aangifte gedaan;
- 4e kwartaal 1991: geen gegevens ontvangen; op 20.01.1992
nihil-aangifte gedaan;
- 1e kwartaal 1992: geen gegevens ontvangen; op 02.04.1992
nihil-aangifte gedaan;
- 2e kwartaal 1992: geen gegevens ontvangen; op 30.06.1992
nihil-aangifte gedaan;
- 3e kwartaal 1992: geen gegevens ontvangen; op 21.10.1992
nihil-aangifte gedaan;
- 4e kwartaal 1992: geen gegevens ontvangen; nihil-aangifte
gedaan;
- 1e kwartaal 1993: geen gegevens ontvangen; op 05.04.1993
nihil-aangifte gedaan;
- 2e kwartaal 1993: geen gegevens ontvangen; op 21.07.1993
nihil-aangifte gedaan;
- 3e kwartaal 1993: geen gegevens ontvangen; op 30.09.1993
nihil-aangifte gedaan;
Betrokkene stelde jaarlijks suppletie-aangiften op in de vorm van een brief aan de Belastingdienst, onder meer:
- over 1989 bij brief van 24 mei 1991 voor een verschuldigd bedrag
van ƒ 3.709,-; betrokkene heeft de suppletie-aangifte ondertekend
en ter doorzending aan klager doen toekomen;
- over 1990 bij brief van 10 maart 1993 voor een verschuldigd
belastingbedrag van ƒ 6.107,-.
Op 14 juli 1993 heeft betrokkene de Ontvanger schriftelijk verzocht om compensatie van een te verwachten restitutie inkomstenbelasting 1991 met een openstaande aanslag omzetbelasting ad ƒ 7.522--.
De balans per 31 december 1992 vermeldt een schuld aan omzetbelasting van
ƒ 12.603,-- welk bedrag is samengesteld als volgt:
- 1989: ƒ 3.709,-;
- 1990: ƒ 6.107,-;
- 1991: ƒ 1.605,-;
- 1992: ƒ 1.182,-.
In enkele aanslagen is een bedrag aan verhoging begrepen.
Betrokkene heeft klager op 18 februari 1994 doen dagvaarden voor het Kantongerecht te R. in verband met het onbetaald laten door klager van een aantal declaraties. deze declaraties gezamenlijk bedragende ƒ 2.373,60 hadden betrekking op werkzaamheden die betrokkene in de jaren 1990, 1991 en 1992 had verricht. Klager heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld niet tot betaling van de declaraties gehouden te zijn omdat betrokkene de aan hem verstrekte opdracht niet naar behoren zou zijn nagekomen. Bij vonnis van 11 oktober 1994 heeft de Kantonrechter klager tot betaling van opgemelde declaraties veroordeeld. Klager heeft daaraan inmiddels voldaan.
Aan de relatie tussen klager en betrokkene is per juli 1993 een einde gekomen, doordat klager het vertrouwen in betrokkene heeft opgezegd.
</typolist>
De klacht
Klager verwijt betrokkene:
- dat betrokkene op de balans per ultimo 1988 de opstand tot een te laag
bedrag heeft genomen, waardoor de balans niet conform de werkelijkheid is
samengesteld;
- dat betrokkene de omzetbelasting niet correct heeft aangegeven, als
gevolg waarvan de schuld terzake per ultimo december 1992 was opgelopen
tot ƒ 12.603,-.
Het verweer
Betrokkene heeft zich tegen de klacht schriftelijk en mondeling verweerd; de Raad zal daarop in het navolgende, voor zover de beoordeling van de klacht nodig, ingaan.
Beoordeling van de klacht
<typolist type="1">
Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht de waarde van de opstand in de balans per ultimo 1988 heeft klager gesteld dat de werkelijke waarde van de opstand in potcultuur als gevolg van de daarvoor noodzakelijke investeringen aanzienlijk hoger ligt dan die van de opstand in de volle grond. Betrokkene heeft deze stelling niet althans niet voldoende weersproken zodat de Raad van de juistheid van de stelling van klager uitgaat.
Betrokkene is bij de waardering van de opstand in de balans 1988 zowel voor de volle grond als voor de potgrond uitgegaan van een bedrag van ƒ 70,-- per RR. Dit had in fiscaal opzicht tot gevolg dat de in de potgrond gepleegde investeringen op het resultaat drukten, omdat daar geen opwaardering van de opstand tegenover stond, hetgeen het bedrijfsresultaat in 1988 nadelig heeft beïnvloed. Betrokkene heeft ter zitting weliswaar gesteld dat hij bij de waardering van de opstand in de balans 1988 onderscheid heeft gemaakt tussen volle grond en potgrond, doch nu uit de door klager bij zijn brief van 24 juni 1994 overgelegde jaarcijfers waarvan de juistheid door betrokkene niet is betwist het tegendeel blijkt, gaat de Raad aan die stelling voorbij.
Bij de verkoop van 200 RR in 1988 heeft klager per RR een hogere prijs gerealiseerd dan de in de balans gehanteerde waarde van ƒ 70,-. Hierdoor heeft klager in 1989 een aanzienlijke winst gerealiseerd. Op deze winst heeft klager de fiscale stakingsfaciliteiten genoten.
Betrokkene heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij de door het aanhouden van de lage waarde van de opstand in de balans 1988 de fiscale aspecten laten
prevaleren boven de commerciële. Dat hij, zoals klager stelt, ten tijde van het opmaken van die balans de staking in 1989 niet kon voorzien, kan daaraan niet afdoen, nu winstneming door de door betrokkene gevolgde waarderingsmethode in elk geval werd uitgesteld.
Ter zitting is komen vast te staan dat betrokkene de jaarstukken 1988 met klager heeft besproken en dat bij die gelegenheid ook is gesproken over de hogere commerciële waarde van de opstand. Tevens is komen vast te staan dat klager bij die gelegenheid niet heeft aangedrongen op opwaardering van de opstand in de balans. DeRaad leidt daaruit af dat klager de door betrokkene gevolgde wijze van waardering van de opstand heeft geaccepteerd. De Raad verwerpt de stelling van klager dat betrokkene na de bespreking van de balans en de waarde van de opstand alsnog eigener beweging de opstand had moeten opwaarderen. De Raad neemt hierbij in aanmerking
dat betrokkene tevens op fiscaal terrein als adviseur van klager optrad en dat de door betrokkene gehanteerde waarderingsmethode voor klager in fiscaal opzicht voordelen bood.
Naar het oordeel van de Raad heeft klager onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene zelfstandig een onjuiste waarderingsmethode heeft gehanteerd. Nu de Raad ook niet anderszins is gebleken dat betrokkene door het hanteren van de hiervoor aangegeven waarderingsmethode een misslag heeft begaan, komt de Raad tot de slotsom dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.
Met betrekking tot het tweede onderdeel van de klacht de aangiften omzetbelasting is komen vast te staan dat betrokkene in elk geval in de periode vanaf het 2e kwartaal 1989 tot het 3e kwartaal 1993 voor het merendeel ten behoeve van klager nihil-aangiften heeft opgemaakt en ondertekend. Betrokkene heeft ter zitting erkend aldus steeds een onjuiste aangifte te hebben gedaan.
Weliswaar kan aan betrokkene worden toegegeven dat het uitblijven van gegevens van klager zoals dit blijkt uit de handgeschreven aantekeningen in het dossier van klager het doen van juiste aangiften bemoeilijkte, doch deze omstandigheid kan het doen van onjuiste aangiften niet rechtvaardigen. De Raad is van oordeel dat betrokkene meer bij klager had moeten aandringen op het verstrekken van gegevens voor de aangiften omzetbelasting.
Bovendien is door de handelwijze van betrokkene het indienen van nihil-aangiften, gevolgd door suppletie-aangiften, welke suppletie-aangiften ook wel na ondertekening door betrokkene ter doorzending aan klager werden toegezonden, de door klager verschuldigde omzetbelasting nog verhoogd met een boete dan wel, zoals betrokkene ter zitting heeft gesteld, met rente, waardoor het door klager terzake verschuldigde bedrag per ultimo 1992 was opgelopen tot ƒ 12.603,-.
Maar het oordeel van de Raad heeft betrokkene door zijn handelen misslagen begaan. Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond.
</typolist>
Strafmaat
Na te melden aan betrokkene op te leggen maatregel is in overeenstemming met de ernst van de door betrokkene begane misslagen; bij het bepalen van deze maatregel heeft de Raad in aanmerking genomen dat betrokkene de onjuistheid van zijn handelwijze ter zitting heeft erkend en heeft gesteld thans een andere werkwijze te volgen.
Beslissing
De Raad van Tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage, gelet op het bepaalde in de artikel en 51, 52, 53, 61, 62, 64 en 66 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten en gelet op artikel 2 van het Besluit Regelen Beroepsuitoefening Accountants-Administratieconsulenten (oud), verklaart dat de klacht voor het eerste onderdeel ongegrond en op het tweede onderdeel gegrond, legt aan betrokkene de maatregel op van schriftelijke waarschuwing.
Aldus gewezen door mr. Th. Groeneveld, plv. voorzitter P.A. Roest AA en C.F.M. van Yperen AA, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Hello-Naber, adj.-secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 26 juni 1995 door mr. E.M.H. Pieters, voorzitter.
Nummer 1996-15 II
College van beroep voor het bedrijsleven
Uitspraak in de zaak van B AA, wonende te C. , appellant van een beslissing van de Raad van Tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de Raad), gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 1995.
1. Het verloop van de procedure
Bij brief, verzonden op 27 juni 1995, is aan appellant een afschrift gezonden van de in de aanhef van deze uitspraak vermelde beslissing, die werd gegeven op klacht van A (hierna: klager), wonende te C. De klacht had betrekking op appellant, Accountant-Administratieconsulent te C. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het College op 26 juli 1995 heeft appellant beroep ingesteld tegen deze beslissing. De Raad heeft op 15 augustus 1995 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het College doen toekomen. Het College heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 15 maart 1996. Appellant is ter zitting verschenen en heeft zijn standpunt toegelicht.
2. De vaststaande feiten
Het College gaat uit van de feiten zoals vastgesteld door de Raad nu tegen deze vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.
3. De bestreden tuchtbeslissing
De bestreden tuchtbeslissing is aan deze uitspraak gehecht en maakt hiervan deel uit.
4. De middelen van beroep
Appellant heeft bij het beroepschrift, zoals toegelicht ter zitting, de volgende grief aangevoerd. Ten onrechte is aan appellant verweten dat hij onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Appellant heeft deze grief als volgt toegelicht. De machtiging op grond waarvan appellant de aangiften verrichtte was hiertoe wellicht niet toereikend, maar appellant is er te goeder trouw vanuit gegaan dat dit wel het geval was. Klager verstrekte appellant nu eenmaal niet op tijd de voor de aangiften benodigde gegevens. Voorts ondertekende hij jaarlijks de suppletie-aangifte, zodat hij kennelijk met de gang van zaken instemde. Klager is eerst met een klacht gekomen op het moment dat appellant aandrong op betaling van zijn rekeningen.
5. De beoordeling van het geschil
Ter terechtzitting van het College heeft appellant evenals in eerste aanleg erkend dat hij onjuiste belastingaangiften heeft gedaan. De door appellant aangevoerde omstandigheden maken niet dat appellant het doen van onjuiste aangiften niet verweten zou kunnen worden. Daargelaten of appellant over een toereikende machtiging om aangiften te doen beschikte de Raad heeft zich hierover niet uitgelaten , hij kan aan een machtiging niet het recht ontlenen tot het doen van onjuiste aangiften. De omstandigheid dat klager beweerdelijk van het doen van onjuiste aangiften op de hoogte was en mogelijk zelfs de suppletie-aangiften tekende, maakt het bovenstaande niet anders. Appellant treft hierbij een verwijt. Het feit dat klager eerst achteraf over deze handelwijze van appellant klaagde, maakt niet dat deze geen misslag heeft begaan. Evenmin kan worden geoordeeld dat appellant door de Raad met een waarschuwing te streng zou zijn bejegend. Nu de door appellant opgeworpen grief faalt, moet het beroep verworpen worden.
Deze beslissing berust op de door de Raad aangehaalde bepalingen en op de bepalingen als vervat in paragraaf 5 van Titel IV van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten.
6. De beslissing
Het College verwerpt het beroep.
Aldus gewezen door mr. C. de Gooijer, mr. R.R. Winter en mr. D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 april 1996.



