Trefwoorden: second opinion
De Accountant-Administratieconsulent (verder AA) is de accountant van X. Omdat X ontevreden is over de door de AA uitgevoerde werkzaamheden heeft zij in klaagster een nieuwe accountant gevonden. X en de AA zijn overeengekomen dat de AA alleen nog de jaarrekening 2001 van X zou verzorgen.
Klaagster heeft vervolgens gevraagd of er vaktechnische bezwaren waren die het aanvaarden van de opdracht konden belemmeren. De AA heeft hier ontkennend op geantwoord. Hoewel X de jaarrekening nog niet had ontvangen heeft klaagster aan de AA laten weten dat alle originele stukken van X op zijn kantoor opgehaald zouden worden. X heeft hiervan afgezien en de AA alsnog in de gelegenheid gesteld het opmaken van de jaarrekening af te ronden. Zover is het niet gekomen, want in juli heeft één van de directeuren van X alsnog de stukken opgehaald van het kantoor van de AA. Door klaagster is toen het opmaken van de jaarrekening van X over 2001 ter hand genomen. Daarbij is zij op een aantal vragen gestuit in verband met de AA. De AA heeft te kennen gegeven slechts tot beantwoording van de vragen van klaagster bereid te zijn indien nota’s van X betaald zouden worden. Tot beantwoording van de vragen van klaagster door de AA is het niet gekomen.
Klaagster verwijt de AA dat hij in strijd met artikel 33 van de Verordening op de gedrags- en beroepsregels (verder GBAA) heeft gehandeld door te weigeren collegiaal overleg te voeren met klaagster als gevolg waarvan de belangen van X ernstig worden geschaad.
Op grond van artikel 33 GBAA moet een accountant voordat hij een oordeel geeft over de werkzaamheden van een andere accountant, deze de gelegenheid geven om inlichtingen te verstrekken. De Raad oordeelt dat nog daargelaten dat niet valt in te zien hoe aan klaagster in verhouding tot de AA een beroep op deze bepaling toekomt, ervan uit moet worden gegaan dat deze bepaling geen plicht in het leven roept voor de accountant wiens werk door een andere (opvolgend) accountant wordt beoordeeld om vragen te beantwoorden die bij die andere accountant rijzen omtrent zijn arbeid.
Ambtshalve moet de Raad van het hart dat de AA en klaagster met elkaar omgaan op een wijze die niet geschikt is om de stand der accountants tot eer te strekken. Dat de accountant weigert de van hem in redelijkheid te vergen medewerking aan de afronding van de jaarrekening 2001 te verlenen, is evenwel onvoldoende aannemelijk geworden, zodat het beroep op strijd met de eer van de stand faalt.
De Raad verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr drs J. den Boer, voorzitter, L.J.Th. van Leeuwen AA en mr A. de Graaf AA/ MA, leden, in aanwezigheid van mr Kuiper, adjunct-secretaris. In het openbaar uitgesproken op 24 juni 2003.
De volledige geanonimiseerde tekst van deze uitspraak kan onder nummer 2003/19 worden opgevraagd bij de bibliotheek van de NOvAA.



